Burgerschap en onderwijs
De school is de plek waar jonge mensen kennis en vaardigheden opdoen. Het is tevens de plek waar ze andere mensen ontmoeten en in aanraking komen met andere culturen en religies. De school is de aangewezen plek voor het leren van zaken als wederzijds begrip, respect, het ontwikkelen van een eigen mening, een actieve houding, sociale verantwoordelijkheid en conflicthantering. Sinds 1 februari 2006 zijn scholen in het primair en voortgezet onderwijs wettelijk verplicht aandacht te besteden aan actief burgerschap en sociale integratie.
Historisch besef speelt een rol in actief burgerschap en sociale cohesie. Want om de samenleving en elkaar te begrijpen, is het belangrijk kennis te nemen van wat er in het verleden is gebeurd en welk verleden we met elkaar delen. Om deze reden is de historische canon van Nederland ontwikkeld. Deze canon bestaat uit 50 thema’s die de geschiedenis van Nederland vertellen.
Actief burgerschap en sociale cohesie zijn actuele onderwerpen, maar ook in het verleden waren dit belangrijke thema’s binnen de opvoeding en het onderwijs. Zo formuleerde bijvoorbeeld de Rotterdamse humanist Desiderius Erasmus (1469-1536) gedragsregels zoals het niet uitdagen van anderen, tafelmanieren, kledingvoorschriften, en beschaafd gedrag (geen winden laten, en niet spugen). Daarnaast stelde hij dat tolerantie tegenover anderen en respect voor de medemens vanzelfsprekendheden waren in de dagelijkse omgang met elkaar.
-
De afgelopen decennia staat de opvoeding tot goed burgerschap hoog op de politieke agenda. Minister van onderwijs Jo Ritzen gaf in 1992 hiervoor de aftrap, toen hij de koepelorganisatie in het onderwijs riep ernst te maken met de pedagogische opdracht van de school: de school is geen ‘kennisfabriek’, maar een opvoedingsinstelling. Het onderwijs is de plek waar waarden en normen overgedragen moesten worden, aldus de minister.
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
Straffen was een onderdeel om goed burgerschap aan te kweken. Op deze afbeelding worden twee meisjes die zich hebben misdragen voor straf in de hoek gezet. Uit: M.E.H. Budden, De dorpsschool. Eene reeks van nuttige en aangename vertellingen voor kinderen die gaarne wijs en deugdzaam willen worden (1834).
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
In het ABC-boekje van “Wat moois voor kinderen” (circa 1851) van J. Schenkman staat de letter N voor de belangrijke deugd die Naarstigheid heet.
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
In de tweede helft van de negentiende eeuw was het geven van aalmoezen een belangrijke ‘goede daad’. In het ABC-boekje “Wat moois voor kinderen” (circa 1851) van J. Schenkman staat de A voor Aalmoes.
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
De geschriften van de Duitse pedagoog Christian G. Salzmann (1744-1811) werden ook in het Nederlands vertaald. Salzmann bracht deugden op een vermakelijke manier bij kinderen en opvoeders onder de aandacht.
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
Een opmerkelijk zangbundeltje: Volkszangdag 1922. In diverse steden werd een volkszangdag georganiseerd, beproefd middel om vaderlandsliefde aan te kweken. Onder schoolkinderen waren de volkszangdagen jarenlang een succes.
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
Krantenfoto van de volkszangdag in Delft, 1926.
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
Centsprenten, een veelgebruikt beloningsmiddel op school, dankten hun naam aan de prijs: de goedkoopste prenten kostten slechts één cent. Centsprenten werden ook gekocht door kinderen en laaggeletterden en ze waren vooral aantrekkelijk omdat ze een herkenbaar beeld schetsten van hun omgeving.
Centsprent over deugdzaamheid (circa 1800-1820).
Ook in de zeventiende en de achttiende eeuw was er aandacht voor goede zeden en gewoonten. Leerlingen lazen veel moraliserende spreuken en versjes, of moesten deze naschrijven. Een bekend voorbeeld van zo’n versje is ‘Jantje zag eens pruimen hangen’ van Hieronymus van Alphen (1746-1803). In die periode kwam er ook meer aandacht voor onderwijs aan arme kinderen. Door investering in het onderwijs aan de volksklasse hoopte men te voorkomen dat kinderen voor galg en rad zouden opgroeien en de maatschappij geld zouden gaan kosten.
Dominee J. Nieuwenhuyzen (1724-1806), die zich het zedelijk verval van grote delen van de lagere volksklassen aantrok, zette zich in voor de verbetering van het volksonderwijs dat volgens hem de basis was voor goed burgerschap en een ideale maatschappij. In 1784 richtte hij de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen op. Aan het einde van de achttiende eeuw deed het Nut veel voorstellen tot onderwijsverbetering, zoals het oprichten van nationale scholen, bestemd voor alle kinderen, het opleiden en aanstellen van bekwame en geschikte onderwijzers, klassikaal onderwijs en het instellen van een centraal en decentraal schooltoezicht. Veel van deze voorstellen werden overgenomen in onderwijswetten aan het begin van de negentiende eeuw. En deze onderwijswetten waren weer de blauwdruk voor het huidige onderwijs. Burgerschap kent een lange traditie, die via onderwijs en opvoeding wordt overgedragen.












