Schoolgebouw en omgeving
Al eeuwenlang speelt het schoolgebouw een belangrijke rol in het leven van scholieren en docenten. Op deze plek vindt immers de overdracht van kennis en vaardigheden plaats.
Scholieren brengen een aanzienlijk deel van hun tijd door in het schoolgebouw en de nabije omgeving door (het schoolplein, de gymzaal het stads- of dorpsdeel waar de school gevestigd is). Vaak weten volwassenen zich jaren later nog te herinneren hoe hun klaslokaal eruit zag, waar de toiletten waren en wat je zag als je uit het raam staarde.
-
Foto van het gebouw van de ULO-school aan de Bizetlaan te Rotterdam.
-
Foto van een kapstok in de gang van een schoolgebouw.
-
Foto van de speelplaats van de Beatrixschool te Amsterdam.
-
Foto van het trappenhuis met silhouetten in het Lyceum van Den Helder.
-
Foto van een school in Zuidwijk te Rotterdam.
-
Foto van kinderen spelend op het schoolplein.
-
Foto van een gymnastiekles. Leerlingen oefenen met de ringen.
-
Foto van de Lagere Technische School te Amsterdam.
Voor de twaalfde eeuw vond onderwijs plaats in zogenaamde kloosterscholen. Op deze plek, vaak het binnenhof van het klooster, werden uit alle windstreken afkomstige jongens opgeleid voor een kerkelijke functie. Toen er ook opgeleid werd voor niet-kerkelijke functies, zoals klerk en administrateur, veranderde de locatie van de school: om het gewijde kloosterleven binnen de muren niet te hinderen, werd de school buiten de muur verplaatst.
Vanaf de 14e eeuw ontstonden naast kloosterscholen ook parochie scholen: op plekken waar kerken en geloofsgemeenschappen werden gesticht, ontstonden ook schooltjes. Daarnaast richtten stadsbesturen en particulieren scholen op, zoals de Latijnse school. Omdat deze scholen dichter bij huis lagen, was het voor jonge kinderen mogelijk om onderwijs te volgen. In de zeventiende en de achttiende eeuw waren veel dorps- en stadsschooltjes gevestigd in het huis van de meester, een schuur of een ander gebouw. Goede verlichting, verwarming en deugdelijk schoolmeubilair ontbraken vaak op veel van deze scholen.
In de Onderwijswet van 1806 werd het klassikale onderwijssysteem ingevoerd en aan gebouwen werden eisen gesteld. De regel werd dat kinderen van dezelfde leeftijd gezamenlijk les van een juf of meester zouden krijgen. Opvallend is dat klaslokalen 4 meter hoog waren , schaars daglicht opgevangen werd door gasverlichting en dat de ruimte met een kolenkachel verwarmd werd. Omdat leerlingen recht hadden op frisse lucht, konden de bovenlichten van de hoge ramen opengezet worden. Omdat leerlingen niet afgeleid mochten worden door wat er zich buiten het lokaal afspeelde, waren de vensterbanken hoog geplaatst. De ramen bevonden zich ter linkerzijde van de leerlingen: kinderen schreven met hun rechterhand en zodoende viel er voldoende licht op de schoolbank.
In de loop van de twintigste eeuw vinden er diverse vernieuwingen en verbeteringen plaats in het schoolgebouw. Gasverlichting werd vervangen door elektrische verlichting en de kolenkachel maakte plaats voor centrale verwarming. De houten vloer werden vervangen door hygiënisch verantwoord linoleum. Vanaf de jaren zestig werden er zogenaamde ‘licht-lucht scholen’ gebouwd: grote ramen die opengezet kunnen worden en waardoor leerlingen naar buiten kunnen kijken. Veel van deze nieuwe scholen beschikken over een centrale hal voor gezamenlijke programma’s, een handenarbeidlokaal en een gymnastiekzaal.
Gebouw en onderwijssysteem zijn nauw met elkaar verbonden. Maar het is niet zo dat vaak door de politiek ingegeven veranderingen direct zichtbaar zijn, daar gaat enige tijd overheen. Bijvoorbeeld in 1985, het jaar waarin de lagere school en de kleuterschool werden samengevoegd. In plaats van een aparte kleuterschool en zes klassen in een lagere school, zijn er vanaf dat jaar scholen met acht klassen nodig. En doordat de laatste jaren steeds meer scholen zogenaamde ‘brede scholen’ zijn geworden – met veel buitenschoolse functies – en in veel kinderdagverblijven ook een buitenschoolse opvang is gevestigd, vergt dit bouwkundige aanpassingen. Ook in het middelbaar onderwijs met de invoering van de basisvorming en het studiehuis, moeten de scholen meer ingericht zijn op zelfstandig werken en worden aangepast aan het nieuwe informatietijdperk.














