Wat kan je leren?
In Nederland zijn het primair en het voortgezet onderwijs gebonden aan overheidsregels. Met de zogenaamde kern- of streefdoelen bepaalt de overheid welke vakken belangrijk zijn voor de ontwikkeling van leerlingen.
Door deze kern- of streefdoelen kan beter worden vastgesteld of doelen bereikt worden. Met ingang van augustus 2006 gelden de nieuwe kerndoelen voor de kleutergroepen. Per augustus 2009 zijn de nieuwe kerndoelen in hun geheel binnen de basisscholen ingevoerd. Er moet daarmee een gestructureerd en interactief onderwijsaanbod, ontdekkend onderwijs met interessante thema’s en activiteiten ontstaan, die kinderen uitdagen in hun ontwikkeling. Zowel de kerndoelen van het primair onderwijs als die van het voortgezet onderwijs worden zo aangepast dat ze naadloos op elkaar aansluiten. Verder dienen inhouden en doelen zo veel mogelijk op elkaar te worden afgestemd, verbinding te hebben met het dagelijks leven en in samenhang te worden aangeboden. Taal bijvoorbeeld komt voor bij alle vakken. Ook dient er aandacht te worden besteed aan doelen die voor alle leergebieden van belang zijn: goede werkhouding, gebruik van leerstrategieën, reflectie op eigen handelen en leren, uitdrukken van eigen gedachten en gevoelens, e.d. Een curriculum of leerplan dient om het ‘leren’ zo goed mogelijk te laten verlopen. Door het curriculum weten leerkrachten en leerlingen wat van hen verlangd wordt, want het geeft voor beide groepen de streefdoelen aan en tevens een tijdsbestek. Onder die doelen kunnen ook het krijgen van bepaalde opvattingen, waarden en een geesteshouding vallen. Een kernvak is een schoolvak dat van meer belang is dan de andere vakken in een opleiding. Op de basisschool zijn lezen, schrijven en rekenen meestal de kernvakken. Bij het middelbaar onderwijs zijn de kernvakken vaak afhankelijk van de gekozen onderwijsrichting. In het voortgezet onderwijs moeten alle scholen in de eerste leerjaren hun leerlingen in dezelfde vijftien vakken onderwijs geven. De vijftien verplichte vakken zijn: aardrijkskunde, Duits, economie, Engels, Frans, geschiedenis, informatiekunde, lichamelijke opvoeding, natuur- en scheikunde, Nederlands, techniek, tekenen en handvaardigheid, verzorging en wiskunde. Vakken die door verschillende scholen worden toegevoegd aan het programma zijn bijvoorbeeld Latijn, Grieks, Muziek en allerlei praktische vakken. In de provincie Friesland is Fries een verplicht vak.
-
Afbeelding uit een filmstrook over het leven van Karel de Grote voor het schoolvak geschiedenis (circa 1950-1955).
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
Glasdia van het graf van de vizier El-Achraf in Cairo, bestemd voor het vak aardrijkskunde (circa 1910).
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
Glasdia uit de serie Vierhandigen (circa 1910). Afgebeeld zijn: 1. Plompe lori - 2. Slanke lori - 3. Spookdiertje - 4. Vari.
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
Titelbeeld van een filmstrook over elektriciteit en de toepassing daarvan voor het vak natuurkunde (omstreeks 1950).
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
Titelbeeld van een filmstrook over fouten in het verkeer, bestemd voor het lager onderwijs (circa 1955-1960).
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
-
Titelbeeld van een filmstrook over hygiëne, bestemd voor algemene vorming (circa 1975).
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam
Er bestaan ook nog doorstroomvakken en profielvakken. Dat zijn schoolvakken die doorstroming naar een andere of hoger schooltype mogelijk maken. Ze dienen om het verschil dat door de overgang ontstaat tussen het door een leerling gevolgde schooltype en het verlangde schooltype kleiner te maken. De doorstroomvakken kunnen voor een leerling die van mbo naar hbo wil overstappen Nederlands, Engels, Frans, geschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde, biologie zijn. Het profiel Natuur & Gezondheid aangevuld met natuurkunde of Natuur & Techniek aangevuld met biologie geven bijvoorbeeld toegang tot de bachelor-opleiding biologie. Een profielvak is een schoolvak in het middelbaar onderwijs dat voorkomt in het profieldeel dat door de leerling is gekozen. Voor Cultuur en Maatschappij kan men bijvoorbeeld denken aan een werkstuk over een bepaalde schilder in een bepaalde stroming, waarbij het vak tekenen is betrokken. Een beroepsgericht vak maakt in het vmbo deel uit van de beroepsgerichte leerweg. De basisberoepsgerichte leerweg is bestemd voor leerlingen die vooral praktisch ingesteld zijn. De kaderberoepsgerichte leerweg is voor leerlingen die theoretische kennis het liefst opdoen door praktisch bezig te zijn. De benaming verwijst naar het feit dat de leerlingen al bezig zijn met een opleiding die in zijn geheel gericht is op een functie op kaderniveau. Er is ook nog de gemengde leerweg. Tegenwoordig wordt het oude begrip vorming in de onderwijscontext anders geformuleerd. Het is nu systematische hulp door middel van verworven culturele vaardigheden door een daarvoor opgeleide leerkracht. Deze brengt de leerlingen de algemene waarden van de cultuur bij, wat zich uit in het aanleren van bepaalde gedragswijzen en houdingen ten opzichte van toekomstige gebeurtenissen of interacties tussen mensen. Het gaat erom dat de leerlingen later goed kunnen functioneren in de maatschappij door kennis te hebben van sociale en ethische motieven. In feite is de vorming van mensen nooit af en gaat deze verder na de opleiding op school. De canon vormt een richtsnoer of verzameling van elementen, gebeurtenissen (geschiedenis) of werken (literatuur) die in een samenleving als waardevol wordt ervaren en dient als leidraad in het onderwijs. Elk schoolvak kent zijn eigen canon, die uitmaakt wat behandeld moet worden. Een bekend voorbeeld is de canon van het geschiedenisonderwijs van Nederland. Deze is per 1 augustus 2010 onderdeel van de kerndoelen voor het primair en voortgezet onderwijs. Metacognitieve vaardigheden zijn de vaardigheden die leerlingen op school opdoen buiten het terrein van het louter kennis tot zich nemen. Voor wat betreft het nieuwe leren geldt dat gewone vaardigheden "duurzaam, flexibel, functioneel geïntegreerd en betekenisvol, generaliseerbaar en toegepast moeten zijn. Ze moeten echter ook betrekking hebben op leer- denk-, samenwerk-, en regulatievaardigheden, dat zijn de 'metacognitieve' vaardigheden. Het is belangrijk dat onderwijs zich richt op zaken die voor de leerling van belang zijn om te kunnen omgaan met de toenemende hoeveelheid informatie in onze huidige kennismaatschappij. Voor een dergelijk 'levenslang leren' moet de nadruk gelegd worden op breed inzetbare kennis en zogenoemde leercompetenties (het leren te leren). Het bovenstaande maakt tevens duidelijk dat het nieuwe leren geen vervanging is voor het 'oude' leren: kennisoverdracht en het oefenen van algemene vaardigheden en instructie zonder speciale context gericht op specifieke leerdoelen zullen hun eigen plaats houden.











